Was de sinaasappels en citroenen goed onder warm water. Droog ze daarna af en snij ze doormidden. Pers het sap uit alle vruchten en vang dit op in een kom. Haal eventuele pitten eruit, maar bewaar ze wel. In de pitten zit namelijk van nature pectine, wat helpt bij het binden van de marmelade.
Snij daarna de halve schillen in zo dun mogelijke reepjes. Hoe dunner je snijdt, hoe malser ze worden tijdens het koken. Doe de schillen samen met het sap, de pitten en het water in een pan. Bind de pitten eventueel in een stukje kaasdoek of een thee-ei en hang dat in de pan. Laat dit mengsel minstens 12 uur (bij voorkeur een hele nacht) staan zodat de schillen kunnen weken.
Breng het geheel daarna aan de kook en laat het zachtjes koken tot de schillen zacht zijn. Dat duurt meestal ongeveer 1 uur. Controleer tussendoor met een lepel of een stukje schil makkelijk uit elkaar te drukken is.
Haal daarna het zakje met pitten uit de pan. Voeg de geleisuiker toe en roer goed door. Breng het geheel opnieuw aan de kook en laat het borrelend koken volgens de instructies op de verpakking van de suiker (meestal 4 tot 5 minuten). Blijf voortdurend roeren en schuim af indien nodig.
Doe een geleitest met een koud bordje: laat een lepeltje marmelade vallen en kijk of het stolt. Zo niet, laat het nog een minuutje langer koken. Giet de hete marmelade daarna met behulp van een trechter in de brandschone potten. Vul ze tot net onder de rand.
Sluit de potten direct goed af. Zet ze eventueel 5 tot 10 minuten op de kop, tenzij je deksels hebt die niet bestand zijn tegen zuur. In dat geval kun je beter rechtop laten afkoelen. Na afkoeling zijn de potten vacuüm en kun je ze donker en koel bewaren.